Vandaag in De Pers, door Remco Tomesen:
Valley vol pretenties leidt zelden tot iets moois
Van Greenport Venlo tot Energy Valley in Groningen: miljarden euro’s zitten in bedrijvenparken. Onderzoek roept nu twijfels op over de zin van die parken.
Een lesje overheidsgeld binnenhalen. Verzin waarin jóuw regio sterk is. Staat er een landbouwuniversiteit in je regio, dan is het iets met voedsel. In het geval van een technische universiteit, is het ICT of technologie. En heb je de beschikking over een groot internationaal vliegveld, dan is het iets met vliegtuigen bouwen. Schrijf vervolgens een voorstel waarin in elke alinea de term kenniseconomie valt. Bedenk ten slotte een pakkende naam, het liefst een die eindigt op ‘valley’ of ‘port’.
Zijn je plannen af, stop ze in een envelop, en stuur ze naar het ministerie van Economische Zaken, een paar gemeenten en de Europese Unie. Overal zijn potjes beschikbaar. Het kabinet heeft een flinke pot geld opengetrokken ter stimulering van de kenniseconomie. En dus hebben we ondertussen alleen al in de naamcategorie ‘valley’ de Energy Valley, Food Valley, Health Valley, Medical Valley, Shipping Valley, KPN Valley, Technologie Valley en Aerospace Valley. Sommige bestaan al, sommige zijn nog van papier.
Euh, nee
Hartstikke mooi, die wildgroei aan valley’s en ports, maar weten we eigenlijk wel waarom we ze willen? Beleidsmakers zijn er van overtuigd dat het bij elkaar zetten van bedrijfjes en universiteiten leidt tot innovatie en samenwerkingen. Sandra Phlippen twijfelde aan die vooronderstelling en besloot er haar promotieonderzoek aan te wijden.
Phlippen keek naar 54 Europese bedrijfsparken voor de farmaceutische industrie. Gaan bedrijven en wetenschappelijke instellingen die daar zijn gevestigd écht meer samenwerken, doen ze daadwerkelijk samen ‘uitvindingen’? Euh, nee: het effect van geografische clustering is heel gering, bleek uit het onderzoek van Phlippen.
De wetenschapster: ‘Andere vormen van nabijheid zijn veel belangrijker. Relationele nabijheid bijvoorbeeld’. In dat geval gaat het om het netwerk dat een bedrijf heeft. ‘Stel voor je hebt drie bedrijven: A, B en C. De bedrijven A en B kiezen eerder voor samenwerking met elkaar als ze allebei al een keer met C hebben samengewerkt’. Het is zoiets als het hebben van een gemeenschappelijke vriend.
Nog belangrijker is volgens haar het begrip ‘cognitieve nabijheid’. Bedrijven moeten een kennisoverlap hebben, dezelfde ‘taal’ spreken, maar tegelijkertijd ook de ander iets nieuws kunnen bieden. Het komt echter zelden voor dat bedrijven dat in elkaar vinden op een bedrijfsterrein. Bedrijven en wetenschappers in de farmaceutische industrie die aan kruisbestuiving doen, vinden elkaar eerder op congressen of tijdens werkbezoeken.
Phlippen heeft alleen de farmaceutische bedrijfsparken onderzocht. We mogen dan ook niet zomaar zeggen dat haar bevindingen voor álleparken gelden. Toch zijn er volgens Phlippen maar weinig succesvolle bedrijfsparken. Bekende ‘goede’ voorbeelden zijn Silicon Valley en Cambridge. Phlippen: ’Bij 80 procent blijkt echter dat bedrijven nauwelijks iets met elkaar doen. Bedrijven gaan voornamelijk naar zo’n plek om de belastingvoordelen’.
Phlippen verdedigt donderdag haar proefschrift aan de Erasmus Universiteitteit Rotterdam